Het Artistieke Ambacht_Artisanato_2012

Huycke, D., 2012, "The Artistic Craft", Artisanato, Genk/ Hasselt: MAD-faculty, Turnhout: WEB, 14-16 (Het Artistieke Ambacht, 2012, original Dutch text)

 

Deels herwerkte en samengestelde tekst uit de doctoraatsthesis: Re-Thinking Granulation: The Metamorphic Ornament. Doctoraat in de Beeldende Kunst, Katholieke Universiteit Leuven, Universiteit Hasselt, 2005-2010, niet gepubliceerd.

 

Hoewel de nauwe verbondenheid en de onophoudelijke dialoog van de craft-kunstenaar met zijn materiaal en de daaraan gekoppelde uitgebreide technische kennis gezien kan worden als een essentieel kenmerk van de kunstambachten, domineert momenteel een tegengestelde visie dit domein. Een te grote verdieping in traditionele methodes en media zou de artistieke vernieuwing vertragen, waardoor de expressiemogelijkheden beperkt worden. Glenn Adamson stelt zelfs in een recent artikel in Crafts dat het ontbreken van technische finesse in een object op de één of andere manier de aanwezigheid van een concept zou impliceren en dat amateurisme momenteel gezien kan worden als een artistieke noodzakelijkheid.[1] Onterecht zou men hieruit kunnen afleiden dat een teveel aan technische finesse een gebrek aan inhoud en concept zou impliceren. Omdat dit gevoel reeds lange tijd leeft binnen de wereld van de hedendaagse kunstambachten, trachten vele craft-kunstenaars zich de laatste decennia vooral te bevrijden van de obligate kennis van traditionele materialen en technieken, om het object voortaan op een meer conceptuele manier te benaderen, waardoor het idee het belangrijkste ingrediënt van het object wordt.[2] Materialen en technieken verliezen op deze manier bij de creatie hun status van uitgangspunt en staan nu (vooral) in dienst van de realisatie van het concept. Eerder dan bij de kunstambachten vindt deze visie aansluiting bij de conceptuele kunst, zoals die in de beeldende kunsten verschijnt vanaf de jaren ’60 en eigenlijk ook al vanaf Duchamp (1887-1968). Ondanks dit scepticisme en deze rebellerende houding tegenover de kennis en het gebruik van traditionele technieken, materialen en processen zoekt een groot aantal kunstenaars vandaag niettemin naar nieuwe manieren om, grotendeels los van tradities, met die traditionele media om te gaan. Vanuit dit streven naar een ‘juist’ en aangepast gebruik van de oude technieken ontstaat een zoektocht naar metaforen, naar de inherente eigenschappen van het medium, naar een nieuw expressief potentieel en een andere visuele taal. Deze nieuwe artistieke taal of ruimte zou moeten beschikken over een breed spectrum aan parameters[3] waarin gezocht en waaruit geput kan worden, waardoor nieuwe verbanden en inzichten kunnen ontstaan wanneer de traditionele en de reeds gekende expressieve vermogens tekort schieten in hun mogelijkheden. Het is immers een illusie om te denken dat reeds alles gekend zou zijn en dat de expressieve mogelijkheden van eeuwenoude technieken en processen intussen uitgeput en uitgehold zouden zijn.

 

Tegen deze achtergrond ontwikkelde ik tussen 2005 en 2010 een praktijkgericht doctoraatsonderzoek in de beeldende kunst, The Metamorphic Ornament: Re_Thinking Granulation, waarbij granulatie, één van de oudste en meest tot de verbeelding sprekende versieringstechnieken uit de geschiedenis van de goudsmeedkunst, vanuit een artistiek standpunt in vraag wordt gesteld. Niet de granulatietechniek op zich, maar het transformatieproces, waarbij technieken en concepten uit de ene discipline, de goudsmeedkunst, worden geïmplementeerd in een andere discipline, de sculpturale zilversmeedkunst, is het belangrijkste onderzoeksobject.Vanuit de kennis dat granulatie voornamelijk als versieringstechniek op sieraden terug te vinden is en dat het slechts zelden als constructief gegeven werd gebruikt ontstonden twee specifieke uitgangspunten. Vanuit een eerste vraagstelling werd gezocht naar de constructieve mogelijkheden van granulatie in sculpturaal zilverwerk, zodanig dat de granule - het oorspronkelijke ornament - zijn primaire, decoratieve functie van puur visueel plezier verliest en verandert in de essentiële bouwsteen van het werk. Granulatie wordt hierdoor zowel textuur, structuur als de architecturale drager van het object. Naast dit eerste uitgangspunt ontstond een tweede, meer inhoudelijke vraagstelling. Binnen deze context werd gezocht naar de expressieve mogelijkheden van granulatie voor sculpturaal zilverwerk. Via deze methode wordt het granulatieproces op zich onderwerp en concept, waardoor het louter technische aspect overstegen wordt en er een poëtische dimensie ontstaat.

 

Aangezien de artistieke kracht van dit onderzoeksproject vooral gestuurd werd vanuit technieken en materialen, zowel technisch als inhoudelijk, kan het uitgangspunt ervan gekaderd worden binnen de grote lijnen van de theorie van het hedendaagse kunstambacht. Met het begrip ‘kunstambacht’ kunnen evenwel verschillende inhouden worden aangeduid. Enerzijds wordt met de kunstambachten een verzameling van medium-specifieke disciplines, objecten of een specifieke beweging binnen de beeldende kunsten bedoeld, met bijzondere kenmerken en eigenschappen. Anderzijds bestaat een visie die ervan uitgaat dat het kunstambacht niet zozeer een beweging is of een specifieke klasse van objecten, uitgevoerd in bepaalde technieken en materialen, maar eerder een houding, een ingrediënt is. Het betreft in deze laatste visie een manier om dingen te doen die niet exclusief aanwezig is in of eigen is aan één domein maar aanwezig is in meerdere disciplines binnen de visuele en beeldende kunsten. De crafts zijn in deze betekenis veeleer een dynamiek, een attitude, die vrij is in het culturele landschap en net zo relevant kan zijn voor beeldende kunstenaars, architecten, vormgevers, filosofen als voor ambachtslui. De Britse kunstcritica Tanya Harrod spreekt in deze context eerder over craftedness dan over craft.[4]

 

Het aftasten van de grenzen van de mogelijkheden van materiaal en proces, en de drang om deze grenzen zo ver mogelijk te verleggen om zo het materiaal fysiek en intellectueel te kunnen domineren is iets wat terug te vinden is in de geschiedenis van elk kunstambacht. Hoe moeilijker en weerbarstiger het materiaal, des te groter de overwinning. Uiteraard is het noodzakelijk om over een grondige kennis van de gebruikte materialen en technieken te beschikken om de limieten ervan te kunnen ontdekken.[5] Deze beheersing is essentieel aangezien de moeilijkste technieken en processen zonder enig probleem moeten kunnen worden uitgevoerd, zodat de geest vrij kan blijven om zich te kunnen concentreren op de meer intellectuele, abstracte en conceptuele problemen, zoals de artistieke expressie. Grondige kennis van techniek en materiaal is tegelijkertijd ook problematisch omdat ze in deze context soms eerder een vijand dan wel een bondgenoot kan zijn. Het hier besproken onderzoeksproject toont daarentegen aan dat wanneer de kennis van materialen en technieken zo uitgebreid is, het pas dan mogelijk wordt om zich van die noodzaak van kennis te bevrijden en werk te ontwikkelen dat het medium overstijgt, waardoor het idee het materiaal en de techniek gaat sturen en niet omgekeerd.

 


 

[1] Adamson, Glenn, “When Craft gets Sloppy”, Crafts, 211 (2008), 36-41.

 

[2] Vessby, Malin, “The handling of Materials”, Love Jönsson, Love, red., Craft in Dialogue: Six Views on a Practice in Change, Stockholm: Craft in Dialogue/IASPIS, 2005: 31.

 

[3] Parameters zoals bv. materiaal, kleur, techniek, historische situering, enz. kunnen binnen deze context vergeleken worden met de woorden van een taal en de nieuwe verbanden en inzichten tussen de bestaande parameters zijn nieuwe zinnen die kunnen ontstaan. De artistieke ruimte is dan de taal zelf. Onderzoek zorgt ervoor dat deze verbanden en inzichten herkend en geëxpliciteerd kunnen worden, wat uiteraard cruciaal is, want des te beter men een taal beheerst, des te interessanter het verhaal zal zijn.

 

[4] Harrod, Tanya, “Technological Enchantment”, Laurie Britton Newell, red., Out of the Ordinary: Spectacular Craft, Londen: V&A Publications and the Craft Council, 2007: 29-37.

 

[5] Gombrich, Ernst Hans, The Sense of Order, 2de uitgave, Londen, New York: Phaidon Press Inc., 2002 (1979): 65-66.