De herinnering aan de functie: Over het werk van Dries Dockx_2012

 

- Huycke, D., 2012, "De Herinnering aan de Functie", S. Janssens & D. Huycke, Dries Dockx 'do not use': Sterckshofopdracht 2012, Antwerpen-Deurne: Zilvermuseum Sterckshof Provincie Antwerpen


 

EXIT 2010, Mastertentoonstelling MAD-faculty, Hasselt

Min of meer centraal in de mastertentoonstelling EXIT 2010 in de Vereniging voor Culturele Informatie en Actueel Prentenkabinet (CIAP) te Hasselt, stonden twee strakke cilinders met als titel Folded op een grijze sokkel. Van ver en op het eerste zicht lijkt het alsof het twee koffiekannen zijn. Hun oppervlakken zijn versierd met geometrische patronen en voorzien van grote oren om de kannen te kunnen optillen en zo de koffie te schenken. Het zijn de hoogglanzende blikvangers van een reeks van objecten waarmee Dries Dockx in 2010 met glans afstudeerde aan de Media, Arts & Design-faculty in Hasselt. Daarnaast toonde hij nog een serie werken die vormelijk niet direct in dezelfde lijn liggen, maar wel duidelijk aantonen dat het familie is van de twee blinkende objecten.

Van dichtbij en na een tweede keer kijken, wordt het snel duidelijk dat de schijnbare functionele objecten helemaal niet bruikbaar zijn. De ‘koffiekannen’ lijken dat alleen maar te zijn doordat ze die elementen in zich hebben die men bij een hedendaagse zilveren koffiekan verwacht. Ze hebben een lichaam van een bepaalde grootte, een teut om te gieten, een oor om ze vast te houden en het materiaal waarin ze zijn vervaardigd, zijn allemaal kenmerken die enigszins zouden kunnen refereren naar de modernistische koffiekan. De centrale vorm van de kan is opgebouwd uit een dunne, rond geplooide zilverplaat die niet gesloten is. Uit het oppervlak van de cilinder die daardoor ontstaat, worden vervolgens, op een ingenieuze manier insnijdingen gemaakt. Hierdoor kunnen op een bijzonder doordachte manier bepaalde delen zilver naar buiten of naar binnen worden geplooid die op hun beurt de ‘functionele’ en herkenbare elementen vormen van het object. Een koffiekan die door al die ingrepen geen koffie kan bevatten.

Totaal in contrast tot deze twee lichte werken, zowel qua gewicht, kleur als uitstraling staat Cast (afb. xx), een zware, in zilver gegoten, tas. Dit object bestaat uit een bolvormige kom waaraan een groot plat oor vasthangt, met een buitendiameter zo groot als de kom zelf. In silhouet lijken het twee identieke cirkels, die beiden raken aan het oppervlak waarop ze staan. Een kom en een oor, het lijkt een functionele en noodzakelijke combinatie, ware het niet dat om het oor te vormen, materiaal uit de zijkant van de dikwandige kom is weggehaald en zo het bolle lichaam met een open ruimte achterlaat. Form follows function zou je kunnen zeggen, maar er is duidelijk meer aan de hand. Deze gedachte houdt enkel bij een oppervlakkige blik stand totdat het besef van het verlies van die functie doordringt, waardoor Form follows disfunction eerder toepasbaar lijkt.

Meer subtiel dan in Cast en Folded wordt in Untitled (afb. xx) het oor gereduceerd tot het absolute minimum door de omtrek ervan uit te boren in het oppervlak van een in plaat gesmede beker. Het oor blijft in de wand van het lichaam zitten en wordt enkel zichtbaar via het licht dat door de doorboorde lijn schijnt. Het oor wordt afgebeeld en de schijnbare functie geïnsinueerd.

 

DO NOT USE, Sterckshofopdracht 2012

Tweeënhalf jaar later en met de Wim Ibens-prijs voor edelsmeedkunst (KASKA Antwerpen) en een selectie voor de tentoonstelling Talente (Internationale HandwerksMesse München) op zak, krijgt Dries Dockx de zeventiende Sterckshofopdracht 2012 toegewezen. Voor dit project, waarbij jaarlijks een grote museumopdracht gegeven wordt aan een hedendaagse Belgische zilversmid, ontwikkelt Dries twee sculpturale objecten waarin hij enigszins dezelfde principes als bij zijn afstudeerwerk toepast. Het idee van functie of het contradictorisch verlies van de functie door functionele elementen toe te voegen wordt hierin verder onderzocht als een artistiek concept. Hij stelt twee zilveren objecten voor: een theekan en een schenkkan, of tenminste, dat lijken de objecten te zijn.

Het vormelijk vertrekpunt van de theekan, Do not use 1 (afb. xx), is een volume waaruit opnieuw alle functionele elementen gehaald worden door het oppervlak in te snijden en de onderdelen er uit te plooien. Naast het handvat, de teut en de drie poten wordt zelfs het knopje van het deksel uit het oppervlak geplooid en zoals een echte bloemknop samengesteld uit verschillende omhoog geplooide blaadjes. Ook hier laat het aanbrengen van de functionele elementen een leegte achter in het lichaam waaruit ze worden geplooid. Een leegte die bepaald wordt door de reële vorm van het uitgeplooide element of van een onderdeel van een groter geheel zoals bij het dekselknopje.

Bij de cilindervormige schenkkan, Do not use 2 (afb. xx), wordt de leegte dan weer bepaald door de schaduw die het handvat op het lichaam zou werpen. Deze ingreep is dubbel interessant omdat het ene maar kan bestaan door het andere. De vorm van de leegte of de schaduw kan maar bepaald worden door de slagschaduw van het handvat, terwijl die er op zijn beurt pas kan zijn door materiaal weg te halen uit het lichaam. Door de toeschouwer op het verkeerde been te zetten, door het deconstructivistisch ontrafelen van de relatie tussen de vorm en de gebruikselementen, wordt de functionele structuur van de verschillende objecten bloot gelegd.

Beide objecten zijn gegoten via de verloren was-techniek waardoor een vervreemding ontstaat tussen het gebruikte materiaal en de geïnsinueerde actie en techniek. De plooi hoort eerder thuis bij de dunne plaat of het papieren model. Door deze nu in was te boetseren en in zilver te gieten, ontstaat in het werk een ornament pur sang, waardoor het modernistisch idee nogmaals ondergraven wordt. Het is een zuiver ornament omdat het toegevoegde ‘functionele’ deel zijn functie verliest en omdat het overgaat in een versierend onderdeel. Het gieten lijkt hier dus een vreemde keuze, maar het is nu juist deze ongemakkelijkheid –letterlijk en figuurlijk- die het werk zo bijzonder maakt.

Omwille van de verschillende aanwezige referenties moeten we ons de vraag stellen hoe we het werk van Dries moeten lezen en waar we het ergens kunnen situeren binnen het ruime landschap van de beeldende kunsten. Is het hedendaags kunstambacht omwille van de sterke verbondenheid met materialen en technieken? Is het design of toegepaste kunst omdat functie en bruikbaarheid de centrale gegevens zijn? Of leunt het werk eerder aan bij de beeldende kunst die niet zelden gebruiksvoorwerpen gebruikt als een metafoor of gebruiksvoorwerpen afbeeldt, zoals een stilleven dat doet? Het is in elk geval genoeg stof tot nadenken en misschien is het zelfs niet mogelijk om hier een éénduidig antwoord op te formuleren. Dries beweegt zich met zijn werk namelijk op alle drie deze terreinen. Hij gebruikt het concept van functie en (on)bruikbaarheid als de expressieve motor van zijn zilverwerk waardoor hij op meesterlijke wijze met de spanning tussen het sculpturale object en het gebruiksvoorwerp speelt. Het werk van Dries is dus complexer dan het op het eerste zicht lijkt en laat zich niet zomaar onder één noemer plaatsen. Het laat zich voor de alerte toeschouwer druppelsgewijs ontdekken.

Wat tenslotte niet ter discussie staat is dat het ambachtelijke in Dries zijn werk van een uitmuntende kwaliteit is, zowel in het zware gietwerk als in het fijngevoelig omgaan met oppervlaktes en details. Niet alleen de techniciteit wekt bewondering, het is vooral in de ongewone relatie tussen materiaal, vorm, techniek en ornament dat Dries zich een eigenzinnige meester toont.

David Huycke, 2012